Terugblik: Record opraapwagen, voorbeeld van marktgerichte aanpak

Begin de jaren 80 waren hoogtijdagen voor de producenten van opraapwagens. De opraapwagen was uitgegroeid tot een uitgerijpt product en dat vertaalde zich ook naar het groot aantal merken en typen.  Het Belgische familiebedrijf gebroeders Claeys uit Maldegem (Oost-Vlaanderen) besliste in 1981 om zelf opraapwagens te vervaardigen en werd zo de enige Belgische constructeur van opraapsnij- en opraapdoseerwagens.

Techniek in huis
Guy Claeys is de huidige medebedrijfsleider van Record. Sinds 1981 is hij actief binnen het familiebedrijf en vertegenwoordigt er de derde generatie. “Het idee om opraapwagens te gaan bouwen kwam van mijn vader Carlos en zijn broer Paul. Begin de jaren tachtig boomde de markt van opraapwagens door het succes van de voordroogkuil. Ondanks dat er heel wat gerenommeerde merken, zoals Claas, Kemper, Pöttinger, Mengele, Strautmann, Landsberg, Fella, Krone, Taarup, enz., actief waren op de Belgische markt, besloten mijn vader en mijn oom om opraapwagens te gaan vervaardigen”, vertelt Guy. “De kennis voor het bouwen van een robuust chassis, een bodemketting met meenemers, loswalsen en de achterdeur hadden we in huis doordat we al jaren met succes silagewagens bouwden. Voor de eerste serie die bestond uit de modellen B25 en B35 kochten we de opraper en het invoersysteem in bij het Italiaanse Berma. Het opvoermechanisme met kettingtransporteur met twee rollenkettingen waaraan zes gestuurde meenemers met tanden waren bevestigd, werkte goed in een niet te zwaar zwad. Maar in een onregelmatig zwad en vooral wanneer het taaie Engelse raaigras Vigor moest worden verwerkt, gebeurde het wel dat de kettingen braken. Daarom ontwierpen we zelf een invoersysteem met zes meenemers en vier kettingen voorzien van zware geleidingsrollen met lagers en een slijtvaste tandwielaandrijving. Dit laadaggregaat was niet alleen veel bedrijfszekerder, maar zorgde ervoor dat het gewas niet naar achteren, maar naar boven werd geperst, wat aanzienlijk scheelde in de vermogensbehoefte”, verklaart Guy.

Complete uitvoering
De 1,50 meter brede slepende pick-up met in hoogte verstelbare tastwielen kon door zijn constructie zowel kort als lang materiaal opnemen. Het snijmechanisme met 13 messen was standaard. Elk mes was beveiligd door een zelf ontwikkeld systeem met twee veren. De hydraulische knikdissel zorgde voor een bodemvrijheid van 70 cm. Het laden en lossen gebeurde automatisch, waarbij de bodemketting stopte als de wagen vol was.

“In vergelijking met de concurrentie waren we zeker niet de grootste producent van opraapwagens, maar we slaagden er toch in om een complete opraapwagen op maat van de klant te bouwen. Extra uitrustingen zoals een dubbele groothoekaftakas en een geveerd tandemonderstel met bredere banden om de wagens compleet te maken lagen bij ons op voorraad”, licht Guy Claeys toe.

Opraapsnijwagen wordt opraapdoseerwagen
De eerste uitvoeringen hadden een bovenbouw met touwen en een mechanische aandrijving van de vier bodemkettingen. De tweede generatie kreeg een volledig gesloten bovenbouw en een elektrische en hydraulische bediening en sturing. De elektrische installatie zorgde voor het laden, de neutrale stand en het lossen, terwijl de hydraulische installatie voor de pick-up, de achterdeur, de knikdissel en het bodemtapijt diende.

In 1988 bestond het leveringsprogramma van de Record-opraapwagens uit vijf basismodellen waarvan de technische uitvoering zoals de opraper, het opvoermechanisme en de snij-inrichting voor alle wagentypen hetzelfde waren. De opraapsnijwagens die een hydraulisch bedienbaar achterhek hadden konden later worden omgebouwd tot opraapdoseerwagens. Record monteerde dan aan de achterzijde een hydraulische losdeur met twee horizontale loshaspels.

Jaarproductie van 30 à 40 stuks
“Door de stevige constructie en doordat we echt maatwerk konden afleveren, bouwden we gedurende verschillende jaren series van 30 à 40 stuks. Vooral de goede toegankelijkheid van het invoersysteem en het op voorraad hebben van laadaggregaten werd door de gebruikers gewaardeerd. In die tijd werden er naast het gedroogd gras ook wel eens andere zaken opgeraapt: gaande van ijzeren tanden van schudders en harken tot zelfs afrasteringspalen toe. Het invoersysteem was op een kwartier demonteerbaar en doordat we altijd volledige laadaggregaten op voorraad hadden, kwamen loonwerkers en dealers die te Maldegem ophalen en twee uur na de panne was men terug aan het werk”, herinnert Guy zich. “We kregen zelfs de vraag van een loonwerker, die vier van onze opraapwagens in gebruik had, om een opraapwagen met tractie te bouwen. We hebben dit samen met mijn vader en oom Paul bekeken en er ook ontwerpen voor gemaakt. Het grootste probleem was dat we rond de pick-up moesten gaan met de aandrijving. Dit was prijstechnisch niet haalbaar. Dit kon niet rechtstreeks en zo ja dan zou de bodemvrijheid te groot worden en de stabiliteit van de wagen verloren zou gaan”, vertelt Guy.

Eind de jaren 80 leverden alle gerenommeerde merken opraapwagens met rotorsystemen. Dit zorgde voor een nog grotere capaciteit en kleinere snijlengtes. “We hebben zelf nog een prototype gebouwd van een snij/persrotor, maar begin de jaren 90 werden bij het inkuilen geleidelijk andere werktuigen ingezet dan de vertrouwde opraapwagen. Veldhakselaars, grootpakkenpersen en ronde balenpersen verdrongen de eertijds zo succesvolle opraapwagen  waardoor we in 1996 zijn gestopt met de productie om ons volledig toe te leggen op de uitbouw van ons gamma silagewagens en zware kippers voor het grondverzet”, zo besluit Guy.

 

Gebroeders Claeys

Medezaakvoerder Guy Claeys vertegenwoordigt de derde generatie binnen het familiebedrijf.

Zoals bij vele collega’s fabrikanten voor landbouwwerktuigen liggen de roots van de gebroeders Claeys & Zonen bvba bij een lokale dorssmid. Rond 1920 startte Telasfoor Claeys in Maldegem (Oost-Vlaanderen) een smidse die snel uitgroeide tot een kleine onderneming met zes werknemers. Na de Tweede Wereldoorlog bouwden zijn zonen, Paul en Carlos Claeys, het bedrijf verder uit en construeerden aanvankelijk de typische driewielkarren en vierwielwagens voor paardentractie. In 1959 startten de gebroeders Claeys de productie van de eerste stalmeststrooiers die onder de merknaam “Record” werden verkocht. Door de grillige bodem in de regio ging men deze al snel uitrusten met een mechanische wielaandrijving. In de jaren zeventig groeide het bedrijf gestaag door het succes van de gegalvaniseerde Record-mengmestverspreiders in monocoque-uitrusting en de één- en twee-assige silagewagens met wielaandrijving.

 

 

 

 

Tekst: Jan Ebinger Beeld: Jan Ebinger & Gebroeders Claeys

%d bloggers liken dit: