Door de ogen van… Carlos & Joachim Vanlerberghe – 50 jaar Delvano

In 1966 besloten drie ondernemers samen spuitmachines te bouwen. Op zoek naar een geschikte naam kwam men uit op een samenvoeging die 50 jaar later nog altijd de blauw-gele machines uit Hulste sieren. De ervaring met spuitmachines gaat echter verder terug dan dit jubileum. De Loonwerker sprak met Carlos en Joachim Vanlerberghe, de tweede en de derde generatie van Delvano.

De geschiedenis van Delvano begint met een loonwerker, Paul Vanlerberghe, vader van Carlos, die op de markt geen spuit vond die aan zijn eisen voldeed. Hij neemt dan ook de beslissing om samen met zijn personeel een spuit te gaan bouwen. Eén van de vereisten was een stabiele en geautomatiseerde spuitboom. Het eindresultaat was de Safetrac, een zelfrijdende veldspuit op basis van een Fordson Dexta. De 32 pk sterke trekker werd omgebouwd tot een zelfrijdende spuit met een houten tank van 1.000 liter en een sproeiboom van 21 meter. Maar voor het zo ver was, werd er eerst gespoten met een getrokken sproeier achter een paard, een getrokken spuit met een pomp aangedreven door een benzinemotor achter een Willy’s-jeep en nadien een opbouwspuit op een Unimog. Ondertussen kreeg de firma op beurzen als Agribex een aantal keer een Zilveren of Gouden Aar als herkenning van hun innovatieve ontwikkelingen.

De  Delvano Safetrac was een grote stap in de mechanisatie van de veldspuiten. Zijn er nadien nog mijlpalen geweest die blijven hangen?
Joachim:
“Eén van de belangrijkste vernieuwingen op de Safetrac was dat de chauffeur in een gesloten cabine zat, voorop op de machine. Hij zat zo veilig van de spuitnevel en –dampen. Een volgende belangrijke stap voor ons was de overgang van de Safetrac, die op basis van bestaande trekkers gebouwd werd, naar de hydraulisch aangedreven Hydrotrac. De Safetrac-zelfrijders hadden allemaal kleine voorwielen en daardoor een beperkte bodemvrijheid, met de montage van vier even grote wielen en een hydraulische aandrijving kregen de machines een veel grotere bodemvrijheid. In dezelfde periode, eind jaren 80, begin jaren 90, kwam ook de spuitcomputer op.”

Hebben jullie de spuitcomputers zelf ontwikkeld als bedrijf?
Carlos:
“De ontwikkeling van de spuitcomputers hebben wij in eigen beheer gedaan. In die tijd was er hulp van de overheid voor kmo’s die bezig waren met innovatie. Het was een regeling waarbij een deel van het loon van de ingenieurs en ontwikkelaars betaald werd door de overheid, mits aan een aantal voorwaarden werd voldaan, zoals het aanwerven van de mensen na afloop van het project. We hebben toen een landbouwingenieur aangeworven die het spuitcomputer-project tot een goed einde heeft gebracht. Via een omweg is de productie van de spuitcomputers uiteindelijk bij Teejet terecht gekomen, die onze spuitcomputers onder licentie ook uitbracht in Noord-Amerika. Wij gebruikten, en gebruiken nog steeds, onderdelen van Teejet. Zij hebben de spuitcomputers dan verder laten evolueren.”

Ondertussen is gps-gebruik geen nieuws meer. Hoe zijn jullie daar mee omgegaan?
Carlos:
“Wanneer we op een Delvano-zelfrijder gewag maken van gps, dan spreken we eigenlijk over twee aparte zaken, namelijk sectieafsluiting en sturing. De sectieafsluiting komt van bij Teejet, de sturing loopt via een Trimble-systeem, maar kan evengoed via een SBGuidance als de koper dat wenst. Het warm water opnieuw uitvinden is verloren energie, dus hebben we rond gekeken naar de beste oplossing. Door gebruik te maken van gekende software en componenten proberen we ook het geheel ook zo eenvoudig mogelijk te maken voor de gebruikers. De display is uitwisselbaar tussen veldspuit en trekker bijvoorbeeld.”
Joachim: “We kregen ook de omgekeerde vraag. Boeren en loonwerkers hadden al een scherm van het ene of andere merk en vroegen de mogelijkheid om die display ook in de spuit te kunnen gebruiken. In het voorjaar hangt de display dan in de trekker voor het planten en zaaien, nadien verhuist die naar de cabine van de spuit.”

De machines zijn sterk geëvolueerd in al die jaren. Zijn er daaraan zaken gelinkt die jullie opvallen?
Carlos
: “Een Safetrac van de eerste generatie reed een 300-tal uren per jaar, transport en werk gecombineerd. Behandelingen tegen Fytoftora werden doorheen het groeiseizoen 4 of 5 keer toegepast. De huidige machines rijden veel meer uren per jaar, want het aantal behandelingen is fors gestegen. Enerzijds wordt er meer preventief gewerkt, anderzijds zijn de producten ook in actieve stof afgenomen, waardoor er meer moet gespoten worden. De machines zijn groter en komen bedreigender over voor de burgers. En zo krijgt de boer al snel de foute stempel van gifspuiter. De boer werkt met strikt afgemeten dosissen product, gebruikt toptechnologie om zo secuur mogelijk zijn gewas te beschermen en doet zijn uiterste best om veilig voedsel te produceren. Dan die stempel krijgen is kwetsend. Ondertussen hebben de burgers vrije toegang tot allerhande pesticides en herbiciden die ze ongecontroleerd kunnen gebruiken….”

De afgelopen jaren zijn er redelijk wat nieuwe spelers op de spuitmachine-markt gekomen. Wereldbekende merken die door hun netwerk ook plots een grote afzetmarkt hebben. Hoe kijken jullie daar tegenaan?
Carlos: “
Mijn vader is lokaal begonnen en had al snel enkele dealers via goede contacten. De Safetrac werd verkocht in België, Noord-Frankrijk en Zuid-Nederland. Ik heb verder gewerkt om onze spuitmachines technologisch te ontwikkelen, te verfijnen en te evolueren. Ik heb echter nooit de nood gevoeld om onze spuiten wereldwijd te gaan vermarkten. Ze zijn gemaakt voor onze omstandigheden hier, en dat is waar wij ons op focussen. Sproeien is een specialistenwerk, gelinkt aan de vruchten die in een regio worden gekweekt. Goede machines maken voor onze regio en onze omstandigheden, dat blijft voor mij de hoofdzaak. Na mij komt Joachim, als hij wil verder groeien, dan moet hij zijn eigen strategie uitwerken. We merken natuurlijk wel concurrentie in het veld, maar gelukkig hebben we trouwe klanten.”

Hoe zien jullie in de toekomst de veldspuiten evolueren?
Joachim:
“Veldspuiten is meer dan alleen preventief of curatief chemicaliën spuiten. Met de sproeiboom wordt het volledige veld beslaan. Door gebruik te maken van sensoren kan het bladgroen of de biomassa gemeten worden tijdens de verschillende groeifases. Zo krijgt de boer direct een goed beeld van de stand van zijn gewas. Ondertussen hebben we een machine lopen die afhankelijk van de stand van het gewas lokaal ook vloeibare meststoffen gaat spuiten. Een andere evolutie is volgens mij dat de boer of loonwerker meer en meer tijd achter de computer gaat spenderen om alle gegevens die hij ontvangt van allerhande machines te gaan verwerken. Zodoende kan er preventief worden gewerkt en ziektes of onkruid  worden vermeden, in plaats dat ze aangepakt moeten worden. Dit spaart niet alleen meststoffen, maar ook sproeimiddelen.”

Carlos: “Ik denk dat drones nog meer gaan ingezet worden en dat ze op een gegeven moment standaard deel gaan uitmaken van het machinepark, maar niet om te spuiten.”

%d bloggers liken dit: